ECLI:NL:CRVB:2015:3707
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstand wegens onvoldoende bewijs niet-woonachting appellant
Appellant ontving bijstand volgens de WWB en huurde een woning als uitkeringsadres. Het college trok de bijstand in over de periode 2 april 2012 tot en met 1 juli 2012 omdat appellant volgens onderzoek niet op het uitkeringsadres woonde. Dit besluit werd bevestigd in eerste aanleg. In hoger beroep stelde appellant dat het bewijs onvoldoende was en dat hij deels ook bij zijn moeder verbleef.
De Raad oordeelde dat het rapport van de sociale recherche niet op ambtseed was opgemaakt, geen ondertekend verslag van het gesprek met appellant bevatte en laat was opgesteld. Ook waren de huisbezoeken en waarnemingen na de periode in geding, waardoor het bewijs onvoldoende was om de intrekking te rechtvaardigen. De intrekking werd daarom vernietigd.
Ten aanzien van de beëindiging van de bijstand wegens scholingsplicht oordeelde de Raad dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn psychische problemen hem ontheffen van deze plicht. Het college had voldoende stappen gezet en appellant had zelf een opleiding gevolgd. Dit besluit bleef in stand.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de kosten van appellant en het betaalde griffierecht. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de intrekking betrof en bevestigd voor de beëindiging.
Uitkomst: Intrekking bijstand vernietigd wegens onvoldoende bewijs, beëindiging bijstand wegens scholingsplicht bevestigd.