Uitspraak
22 november 2012, 11/3059 en 12/1816 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 2001 in dienst bij de gemeente Albrandswaard en kreeg in 2009 een persoonlijke toelage toegekend vanwege zijn functie en prestaties. Na interne onderzoeken en rapporten over tekortkomingen in het kasbeheer, waaronder een kastekort van €8.036,77, werd de toelage in 2011 ingetrokken. Het college stelde dat appellant niet langer voldeed aan de criteria van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver.
Daarnaast ontstond een verstoorde arbeidsverhouding tussen appellant en zijn leidinggevende, mede door kritiek van appellant op het personeelsbeleid en het kasbeheer. Het college besloot appellant op grond van artikel 8:8 van Pro de CAR/UWO te ontslaan. Appellant verzette zich tegen deze besluiten en vorderde schadevergoeding.
De Raad oordeelde dat het college terecht de toelage had ingetrokken omdat de gronden voor toekenning niet meer aanwezig waren. Ook was sprake van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat voortzetting van het dienstverband niet redelijk was. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat er geen sprake was van een onrechtmatig besluit. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt de intrekking van de toelage en het ontslag wegens verstoorde arbeidsverhouding en wijst het verzoek om schadevergoeding af.