ECLI:NL:CRVB:2015:3610
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- P.W. van Straalen
- W.F. Claessens
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering nabestaandenuitkering wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds augustus 2004 een nabestaandenuitkering. Zij verhuisde in 2009 naar Frankrijk samen met S, zonder aan de Sociale Verzekeringsbank (Svb) te melden dat zij met S samenwoonde. De Svb stelde vast dat appellante en S een gezamenlijke huishouding voerden en trok de uitkering in over de periode januari 2009 tot april 2012, met terugvordering van €46.438,36.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat in de periode januari-mei 2009 geen sprake was van wederzijdse zorg en dus geen gezamenlijke huishouding, waardoor de intrekking en terugvordering over die periode niet standhouden. Voor de periode juni 2009 tot april 2012 was er wel sprake van gezamenlijke huishouding en recht op intrekking en terugvordering.
De Raad stelde het terugvorderingsbedrag vast op €40.752,36 en veroordeelde de Svb in de proceskosten van appellante. De uitspraak vernietigt het eerdere besluit voor het eerste deel van de periode en bevestigt het voor het tweede deel, waarbij het belang van objectieve criteria bij de beoordeling van gezamenlijke huishouding werd benadrukt.
Uitkomst: Intrekking en terugvordering nabestaandenuitkering over januari-mei 2009 vernietigd, over juni 2009-april 2012 bevestigd met terugvordering van €40.752,36.