ECLI:NL:CRVB:2015:3574
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding bij hoger beroep in bijstandszaak met no cure no pay overeenkomst
Appellante had bijstand aangevraagd en stelde het college in gebreke wegens het niet tijdig beslissen. De rechtbank veroordeelde het college tot vergoeding van €121,75 aan proceskosten. Appellante ging in hoger beroep omdat zij vond dat twee proceshandelingen vergoed moesten worden in plaats van één.
Het college voerde aan dat appellante geen procesbelang had en dat de proceskostenvergoeding via de gemachtigde met een no cure no pay overeenkomst zou lopen, en dat fouten van de rechtbank niet tot kostenveroordeling van het college mochten leiden.
De Raad oordeelde dat appellante wel procesbelang heeft en dat een no cure no pay overeenkomst de vergoeding van proceskosten niet uitsluit. De Raad stelde vast dat er twee proceshandelingen waren en verhoogde de vergoeding naar €245. Daarnaast werd het college veroordeeld in de proceskosten voor het hoger beroep van €980 en werd het griffierecht van €122 aan appellante terugbetaald.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover aangevochten en het college werd veroordeeld tot een totale proceskostenvergoeding van €1.225 aan appellante.
Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot betaling van €1.225 aan proceskosten en het griffierecht wordt terugbetaald aan appellante.