ECLI:NL:CRVB:2015:3537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht om een WIA-uitkering, welke door het UWV werd geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht vanaf 14 december 2012. Na bezwaar en beroep handhaafde het UWV deze beslissing, gesteund door medische beoordelingen van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en geen objectieve medische gronden bestonden om de beperkingen anders te beoordelen. De FML uit 2013 werd als juist beschouwd, waarbij een eerdere FML uit 2011 niet relevant werd geacht vanwege tijdsverloop.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat zijn beperkingen onderschat zijn en dat er een urenbeperking moet worden aangenomen. Hij verwees naar rapporten van bedrijfsartsen en een fysiotherapeut. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de medische gegevens en rapporten geen aanleiding geven tot een andere beoordeling dan de FML uit 2013.
De Raad stelde dat de beperkingen van appellant, veroorzaakt door een chronische reumatische aandoening, correct in de FML zijn verwerkt en dat er geen objectief medisch bewijs is voor een urenbeperking. Tevens zijn de voorbeeldfuncties die aan de WIA-beoordeling ten grondslag liggen medisch geschikt voor appellant.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.