Uitspraak
OVERWEGINGEN
31 maart 2015 gehandhaafd en het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is er geen sprake van een bijzonder geval.
BESLISSING
bevestigt de aangevallen uitspraak;
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker was administratief medewerker en viel uit wegens lichamelijke klachten. Na een procedure over een WIA-uitkering, die uiteindelijk werd afgewezen, vroeg verzoeker een WW-uitkering aan over een periode waarvoor hij de aanvraag niet binnen de wettelijke termijn van 26 weken had ingediend. Het UWV weigerde de uitkering en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank wees het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening af. In hoger beroep voerde verzoeker aan dat de lange onzekerheid over zijn WIA-rechtvaardiging het indienen van een tijdige WW-aanvraag onmogelijk maakte en dat er sprake was van een bijzonder geval.
De Raad oordeelde dat het begrip 'bijzonder geval' restrictief moet worden uitgelegd en dat de omstandigheden van verzoeker niet aan deze voorwaarde voldoen. Verzoeker had de mogelijkheid om eerder een WW-aanvraag in te dienen, ook al was hij van mening arbeidsongeschikt te zijn. Het bestaan van een dienstverband stond niet in de weg aan het recht op WW-uitkering. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter C.C.W. Lange op 2 oktober 2015.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de weigering van het UWV om een WW-uitkering uit te betalen wordt afgewezen.