ECLI:NL:RBNHO:2015:6066

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 juli 2015
Publicatiedatum
15 juli 2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2803
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • A.C. Terwiel-Kuneman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 AwbArt. 35 WW
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WW-uitkering wegens overschrijding termijn geen bijzonder geval

Eiser diende meer dan 26 weken na het intreden van zijn werkloosheid een aanvraag in voor een WW-uitkering. Het UWV weigerde de uitkering op grond van artikel 35 van Pro de WW, dat bepaalt dat geen uitkering wordt betaald over perioden langer dan 26 weken voorafgaand aan de aanvraagdatum, tenzij sprake is van bijzondere gevallen.

Eiser stelde dat bijzondere omstandigheden aanwezig waren vanwege de trage en onjuiste behandeling van zijn WIA-aanvraag, die pas in november 2014 definitief werd afgewezen. De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden onvoldoende waren om af te wijken van de 26-weken termijn, mede omdat eiser pas in maart 2015 de WW-aanvraag indiende en eerder niet aan de aanvraag had gedacht.

De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarin een complexe samenloop van uitkeringen als bijzonder geval werd aangemerkt, maar stelde dat dit in de onderhavige zaak niet het geval was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het UWV om een WW-uitkering toe te kennen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 15/2803 en HAA 15/2099
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juli 2015 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I. Rhodes),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. L.C. Husmann).

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiser met ingang van 24 december 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) te verstrekken.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Voordat een zitting had plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 17 juni 2015 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. [naam] , kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
2. Verweerder heeft de weigering een WW-uitkering te verstrekken gebaseerd op artikel 35 van Pro de WW, waarin is bepaald dat geen uitkering wordt betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag werd ingediend. De tweede volzin van dit artikel bepaalt dat het Uwv bevoegd is in bijzondere gevallen daarvan af te wijken.
3. Eiser voert aan dat zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan verweerder kan afwijken van de 26-weken termijn. Hij wijst hierbij op de omstandigheid dat verweerder zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet Werk in inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) eerst ten onrechte had afgewezen op grond van het niet doorlopen van de wachttijd en – na tussenkomst van de rechtbank – heeft afgewezen omdat eiser voor minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Dat was pas in november 2014.
4. Verweerder ziet in de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden geen grond af te wijken van de 26-weken termijn. Verweerder wijst er daarbij op dat eiser eerst in maart 2015 een aanvraag om WW heeft ingediend, terwijl hij in november 2014 al de afwijzing van de WIA had ontvangen. Verder heeft eiser verklaard dat hij er eerder niet aan heeft gedacht een WW-uitkering aan te vragen. Dat wijst er niet op dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Verweerder wijst er voorts op dat eiser ook in 2012 reeds een WW-uitkering had kunnen aanvragen.
5. Het geschil is beperkt tot de vraag of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35 van Pro de WW op grond waarvan verweerder bevoegd was de WW-uitkering met langere terugwerkende kracht dan 26 weken uit te betalen, namelijk over de periode 24 december 2012 tot en met 23 maart 2014.
In zijn uitspraak van 14 januari 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat sprake was geweest van een complexe samenloop van diverse uitkeringen die betrokkene niet meer behoefde te kunnen doorgronden (
ECLI:NL:CRVB:2015:89). Dit werd als een bijzonder geval aangemerkt.
In het geval van eiser heeft verweerder de WIA-uitkering die hij in mei 2012 had aangevraagd aanvankelijk op onjuiste gronden in juni 2012 afgewezen. Pas in november 2014 ontvangt hij een goed gemotiveerde afwijzing. In een onjuist besluit in juni 2012 tezamen met de lange duur van de procedure om dat rechtgezet te krijgen, ziet de rechtbank geen aanleiding om een bijzonder geval aan te nemen. Helaas heeft eiser er niet op een eerder moment, toen de WW-uitkering nog kon worden uitbetaald, aan gedacht om een aanvraag te doen. De beroepsgrond treft daarom geen doel.
6. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2015.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.