Uitspraak
.Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Dinç.
OVERWEGINGEN
.Evenmin is in geschil dat het perceel grond en het gebouw van appellant op 3 juli 2012 zijn verkocht aan zijn tante
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB, maar bezaten onroerend goed in Turkije dat zij niet aan het college hadden gemeld, waardoor zij onterecht bijstand ontvingen. Na onderzoek en taxatie van het onroerend goed concludeerde het college dat het vermogen de vrijstellingsgrens overschreed en trok de bijstand met terugwerkende kracht in.
Appellanten betwistten dit, onder meer met het argument dat de vader van appellant zonder hun medeweten een gebouw had geplaatst en dat een schuld aan de tante de waarde van het onroerend goed zou compenseren. De Raad verwierp deze stellingen wegens gebrek aan bewijs en onduidelijkheid over de verkoop en besteding van de opbrengst.
Ook de aanvraag om nieuwe bijstand werd afgewezen omdat appellanten onvoldoende financiële gegevens verstrekten. De Raad oordeelde dat het college terecht gebruik maakte van haar bevoegdheid tot intrekking en terugvordering, en dat de bezwaren van appellanten, waaronder een beroep op artikel 8 EVRM Pro, niet slaagden.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en de afwijzing van de nieuwe aanvraag worden bevestigd wegens het niet melden van buitenlands vermogen en onvoldoende financiële transparantie.