ECLI:NL:CRVB:2015:3420
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- R.E. Bakker
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellante, werkzaam als technician/operator, kreeg vanaf 1 juli 1997 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na herbeoordeling werd deze uitkering per 15 februari 2000 teruggebracht naar 15-25% en uiteindelijk op 24 mei 2000 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was.
Appellante stelde dat zij na deze intrekking gedurende verschillende perioden toegenomen arbeidsongeschikt was, met name door psychische klachten. Het UWV voerde een medisch onderzoek uit en concludeerde dat er geen sprake was van een toename van beperkingen in de periode van 24 mei 2000 tot 24 mei 2005 ten opzichte van de eerdere beoordeling van oktober 1999.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat appellante haar stellingen onvoldoende had onderbouwd. In hoger beroep voerde appellante aan dat de intrekking ten onrechte als vaststaand werd beschouwd en dat medicatiegebruik (Seroxat) een toename van beperkingen zou aantonen.
De Raad overwoog dat de intrekking van de uitkering in rechte onaantastbaar was geworden en dat het UWV terecht de medische beoordeling plaatste binnen artikel 43a van de WAO. De Raad vond geen aanleiding om de conclusies van de verzekeringsarts onjuist te achten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het enkele feit van medicatiegebruik leidt niet tot de conclusie van toegenomen beperkingen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering blijft van kracht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van appellantes WAO-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.