Appellant, militair bij het Commando Landstrijdkrachten, werd ontslagen wegens wangedrag omdat hij in zijn woning 144 hennepplanten had laten kweken. Hij erkende de feiten deels en werd strafrechtelijk veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn gedragingen niet toerekenbaar waren vanwege een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en dat de minister zijn nazorgplicht had geschonden, waardoor het ontslag onevenredig zou zijn. Een deskundigenbericht stelde dat de PTSS enige invloed had op zijn handelen, maar dat hij wel in staat was de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag in te zien.
De Raad oordeelde dat het ontslag terecht was en in overeenstemming met het geldende drugsbeleid. Het wangedrag was toerekenbaar en het ontslag niet onevenredig gezien de ernst van de gedragingen, ondanks de verminderde toerekeningsvatbaarheid door PTSS. De Raad vernietigde het bestreden besluit wegens motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De minister werd veroordeeld in de proceskosten.