ECLI:NL:CRVB:2015:3109

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 september 2015
Publicatiedatum
15 september 2015
Zaaknummer
14-3137 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 WWB
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand na aanvraagdatum

Appellant ontving bijstand op grond van de WWB vanaf oktober 2008. Na intrekking van het recht op bijstand door het college wegens schending van de inlichtingenplicht, vroeg appellant bijzondere bijstand aan voor kosten rechtsbijstand uit 2011. Deze aanvraag werd aanvankelijk afgewezen, maar later deels toegekend na vernietiging van het intrekkingsbesluit door de rechtbank.

Vervolgens vroeg appellant opnieuw bijzondere bijstand aan voor kosten rechtsbijstand uit 2010, 2011 en 2012, maar het college wees dit af wegens het niet tijdig indienen van de aanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep beperkte appellant zich tot de kosten uit 2011 die nog niet waren toegekend.

De Raad oordeelde dat volgens vaste rechtspraak geen recht op bijzondere bijstand bestaat voor kosten die zijn gemaakt vóór de datum van de aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Appellant stelde dat hij redelijkerwijs niet eerder kon aanvragen vanwege de eerdere afwijzing, maar dit werd verworpen omdat hij rekening moest houden met de lopende rechtsmiddelen tegen de intrekking en dat een aanvraag geen kosten met zich meebracht.

De Raad bevestigde dat appellant tijdig had moeten aanvragen en dat geen bijzondere omstandigheden waren die van de hoofdregel konden afwijken. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand die zijn gemaakt vóór de datum van de aanvraag wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

14/3137 WWB
Datum uitspraak: 15 september 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 mei 2014, 13/1588 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Roerdalen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld en, op verzoek van de Raad, nadere stukken ingezonden.
Het college heeft een verweerschrift ingediend en, eveneens op verzoek van de Raad, nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2015. Namens appellant is
mr. Verstraten verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. D.J.P. Limpens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 13 oktober 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2.
Bij besluit van 5 juli 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 oktober 2011, heeft het college het recht op bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 16 februari 2011. Hieraan lag ten grondslag dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door het college niet of niet behoorlijk te informeren over zijn woon- en leefsituatie, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
1.3.
Op 17 mei 2011 had appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor kosten van rechtsbijstand in 2011, voor een bedrag van € 202,-. Deze aanvraag heeft het college bij besluit van 11 juli 2011 afgewezen op de grond dat het recht op bijstand van appellant bij besluit van 5 juli 2011 was ingetrokken op de grond dat het recht niet was vast te stellen.
1.4.
De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 12 april 2012 (ECLI:NL:RBROE:2012:4175) het beroep tegen het besluit van 25 oktober 2011 met betrekking tot de intrekking gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het besluit van 5 juli 2011 herroepen.
1.5.
Het college heeft op 28 augustus 2012 de aanvraag van 17 mei 2011 alsnog gehonoreerd en aan appellant € 202,- als bijzondere bijstand toegekend.
1.6.
Op 16 oktober 2012 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor kosten van rechtsbijstand in de jaren 2010, 2011 en 2012, voor een bedrag van in totaal € 2.056,81. Bij besluit van 7 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 april 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag, voor zover hier van belang, afgewezen op de grond dat appellant de bijstand niet tijdig heeft aangevraagd.
1.7.
Bij uitspraak van 3 december 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2643) heeft de Raad in hoger beroep tegen de onder 1.4 genoemde uitspraak geoordeeld dat het besluit tot intrekking in rechte stand houdt voor zover het de periode van 26 februari 2011 tot en met 28 april 2011 betreft.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ter zitting van de Raad heeft appellant het hoger beroep beperkt tot de aanvraag om bijzondere bijstand over het jaar 2011. In verband met de onder 1.5 vermelde toekenning van bijzondere bijstand tot een bedrag van € 202,- beperkt het hoger beroep zich voorts tot de overige in 2011 gemaakte kosten van rechtsbijstand, waarvoor op 16 oktober 2012 bijzondere bijstand is gevraagd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA6875) vloeit uit artikel 43, eerste lid, van de WWB voort dat in beginsel geen recht op bijzondere bijstand bestaat voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij de aanvraag niet eerder dan op 16 oktober 2012 heeft ingediend. Gezien de afwijzing van zijn eerdere aanvraag om bijzondere bijstand van 17 mei 2011 ging appellant ervan uit dat alle aanvragen om bijzondere bijstand nadien zouden worden afgewezen. Hij meende dat het niet zinvol was om desondanks aanvragen te doen en kosten te maken voor bezwaar en beroep tegen afwijzingen, aldus appellant.
4.3.
Dit betoog slaagt niet. Gelet op de door appellant ingestelde rechtsmiddelen tegen de intrekking, moest hij ermee rekening houden dat het betreffende besluit in rechte geen stand zou houden. Een aanvraag om bijzondere bijstand, gedaan na die intrekking, was dan ook niet bij voorbaat kansloos te achten. Voor het indienen van een aanvraag hoefde appellant voorts geen kosten te maken. Van appellant mocht dan ook gevergd worden dat hij tijdig een aanvraag had ingediend. In die intrekking is dan ook geen bijzondere omstandigheid gelegen om van de onder 4.1 geformuleerde hoofdregel af te wijken. Ook is overigens van zodanige omstandigheden niet gebleken.
4.4.
Zoals voorts de rechtbank terecht heeft overwogen had appellant op grond van het door het college gevoerde buitenwettelijk begunstigend beleid voor de in 2011 opgekomen kosten in datzelfde jaar bijzondere bijstand kunnen aanvragen. Dit had zeker na 5 juli 2011 in de rede gelegen.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2015.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) M.S. Boomhouwer

HD