ECLI:NL:CRVB:2015:3093
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- E.E.V. Lenos
- Rechtspraak.nl
Beëindiging AOW-uitkering tijdens detentie in het buitenland niet onrechtmatig
Appellant, geboren in 1942, ontving vanaf september 2007 een AOW-uitkering met toeslag, die in september 2011 werd ingetrokken vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd van zijn echtgenote. Vanaf april 2013 was appellant gedetineerd, eerst in Nederland en vervolgens in Litouwen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde per 1 juni 2013 de AOW-uitkering op grond van artikel 8b van de AOW, dat het stopzetten van AOW-uitkering tijdens detentie regelt.
Appellant voerde bezwaar aan met het argument dat hij 38 jaar premie had betaald en dat de detentie in Litouwen extra kosten met zich meebrengt, waardoor het stopzetten van de uitkering tot een onleefbare situatie leidt. De Svb wees dit bezwaar af, stellende dat het AOW-stelsel een omslagstelsel is en dat tijdens detentie dubbele betaling wordt voorkomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat premiebetaling geen absoluut recht op uitkering geeft en dat artikel 8b terecht werd toegepast.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Raad verwierp deze. De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin werd bevestigd dat toepassing van artikel 8b niet leidt tot een disproportionele last of schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Ook de extra kosten door detentie in het buitenland en doorlopende kosten thuis werden niet als zodanig bijzonder beoordeeld dat dit tot een individuele en buitensporige last leidt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de AOW-uitkering tijdens detentie en wijst het hoger beroep af.