ECLI:NL:CRVB:2015:227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AOW-uitkering tijdens detentie wegens verblijf in tbs-kliniek
Appellant, geboren in 1947, vroeg een AOW-ouderdomspensioen aan, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit af op grond van artikel 8b van de AOW omdat appellant in detentie verbleef in een tbs-kliniek. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep werd dit besluit bevestigd.
Appellant stelde dat de weigering in strijd was met het eigendomsrecht (artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM) en het discriminatieverbod (artikel 14 EVRM Pro). Hij voerde aan dat tbs-patiënten anders behandeld moeten worden dan andere gedetineerden en dat de wetgever een minder bezwarend middel had moeten kiezen.
De Raad oordeelde dat de toepassing van artikel 8b AOW wettelijk is voorzien, een legitiem algemeen belang dient en proportioneel is. Het onderscheid met andere groepen is gerechtvaardigd en er is geen sprake van een onevenredige last. Ook het beroep op artikel 14 EVRM Pro faalde omdat er een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor het onderscheid.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het AOW-ouderdomspensioen wegens verblijf in een tbs-kliniek en oordeelt dat dit niet in strijd is met het EVRM.