ECLI:NL:CRVB:2015:2989
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bijstandsrecht na intrekking verblijfsvergunning en beroep op internationale verdragen
Appellante, met de Nigeriaanse nationaliteit, ontving bijstand op grond van de WWB totdat haar verblijfsvergunning werd ingetrokken per 11 april 2012. Het college trok vervolgens de bijstand in en vorderde kosten terug, omdat appellante niet langer rechtmatig in Nederland verbleef. Appellante stelde beroep in tegen deze besluiten en voerde onder meer aan dat zij slachtoffer was van mensenhandel en dat internationale verdragen haar recht op bijstand zouden waarborgen.
De Raad oordeelde dat het ontbreken van een rechtmatige verblijfsvergunning het recht op bijstand uitsluit, ook wanneer internationale verdragen zoals het EVRM worden ingeroepen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de medewerkster van het college niet bevoegd was een bindende toezegging te doen. Ook was er geen sprake van een relevante wijziging in omstandigheden die recht zou geven op hernieuwde bijstand.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank en verwierp de beroepen van appellante. Er werd geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld en de terugvordering van bijstandskosten werd gerechtvaardigd geacht. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 1 september 2015.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraken en wijst het beroep van appellante af wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf en onvoldoende relevante wijziging van omstandigheden.