ECLI:NL:CRVB:2011:BT7603
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens ontbreken rechtmatig verblijf volgens Vreemdelingenwet
Appellante, met de Dominicaanse nationaliteit, beschikte over een tijdelijke verblijfsvergunning die niet werd verlengd. Haar bezwaar tegen de afwijzing van de verlenging werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Vervolgens vroeg zij bijstand aan, die werd afgewezen omdat zij niet rechtmatig in Nederland verbleef.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), omdat zij geen rechtmatig verblijf had conform artikel 8, onderdeel h, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit onderdeel vereist dat een vreemdeling in afwachting van een beslissing op beroep een uitzettingsverbod heeft.
Appellante voerde aan dat zij uitstel van vertrek had gekregen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), maar de Raad oordeelde dat dit uitstel niet gelijkstaat aan rechtmatig verblijf onder de genoemde wet. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde de afwijzing van het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen wegens ontbreken rechtmatig verblijf voor bijstand.