ECLI:NL:CRVB:2015:1725
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens ontbreken geldige verblijfstitel
Appellante ontving sinds juni 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Uit onderzoek bleek dat zij geen geldige verblijfstitel had die recht op bijstand geeft. Het college trok daarom de bijstand met ingang van augustus 2013 in en verklaarde het bezwaar hiertegen ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij op grond van artikel 8 EVRM Pro recht had op bijstand. De Raad oordeelde dat appellante tijdens de relevante periode geen vreemdeling was als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, WWB, en dat zij daarom geen bijstand kan ontvangen op grond van artikel 16, tweede lid, WWB.
De Raad verwees naar vaste rechtspraak dat eventuele positieve verplichtingen uit artikel 8 EVRM Pro niet via de WWB kunnen worden gerealiseerd. Ook faalde het verweer dat het college de aanvraag had moeten doorzenden naar het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, omdat het hier ging om intrekking en niet om een aanvraag. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellante geen geldige verblijfstitel heeft en geen recht op bijstand volgens de WWB.