ECLI:NL:CRVB:2015:1725

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juni 2015
Publicatiedatum
3 juni 2015
Zaaknummer
14-1782 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WWBArt. 16 WWBArt. 8 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens ontbreken geldige verblijfstitel

Appellante ontving sinds juni 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Uit onderzoek bleek dat zij geen geldige verblijfstitel had die recht op bijstand geeft. Het college trok daarom de bijstand met ingang van augustus 2013 in en verklaarde het bezwaar hiertegen ongegrond.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij op grond van artikel 8 EVRM Pro recht had op bijstand. De Raad oordeelde dat appellante tijdens de relevante periode geen vreemdeling was als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, WWB, en dat zij daarom geen bijstand kan ontvangen op grond van artikel 16, tweede lid, WWB.

De Raad verwees naar vaste rechtspraak dat eventuele positieve verplichtingen uit artikel 8 EVRM Pro niet via de WWB kunnen worden gerealiseerd. Ook faalde het verweer dat het college de aanvraag had moeten doorzenden naar het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, omdat het hier ging om intrekking en niet om een aanvraag. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellante geen geldige verblijfstitel heeft en geen recht op bijstand volgens de WWB.

Uitspraak

14/1782 WWB
Datum uitspraak: 2 juni 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2013, 13/6442 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Mr. M. Sloot, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 20 april 2015. Appellante en mr. Sloot zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 7 juni 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%.
1.2.
Uit onderzoek van het college van 20 augustus 2013 is gebleken dat appellante geen geldige verblijfstitel heeft op grond waarvan recht op bijstand bestaat.
1.3.
Bij besluit van 20 augustus 2013 heeft het college de bijstand ingetrokken met ingang van 1 augustus 2013.
1.4.
Bij besluit van 21 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 augustus 2013 ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante niet kan worden aangemerkt als een vreemdeling als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB, als gevolg waarvan zelfs op grond van artikel 16, tweede lid, van de WWB geen bijstand kan worden toegekend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij recht heeft op (aanvullende) bijstand op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode bestrijkt de periode van 1 augustus 2013 tot en met 20 augustus 2013, de datum van het intrekkingsbesluit.
4.2.
Vaststaat dat appellante tijdens de te beoordelen periode geen vreemdeling was als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt zij tevens onder artikel 16, tweede lid, van de WWB. Daarom kan aan haar geen bijstand ingevolge de WWB worden toegekend.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 15 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1259) kan, indien ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB, een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van Pro het EVRM, dit niet met toepassing van de WWB gestalte worden gegeven. De vraag of appellante is aan te merken als kwetsbare persoon die op grond van artikel 8 van Pro het EVRM bijzondere bescherming geniet, kan daarom in het kader van de WWB in het midden worden gelaten.
4.4.
De stelling van appellante dat het college de aanvraag had moeten doorzenden naar het Centraal Orgaan asielzoekers kan niet slagen, reeds omdat geen sprake is van een aanvraag om bijstand, maar van intrekking van bijstand.
4.5.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A.B.J. van der Ham en
A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2015.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) C.M. Fleuren

HD