ECLI:NL:CRVB:2015:2693
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en intrekking persoonsgebonden budget wegens onvoldoende verantwoording
Appellante had voor de jaren 2011 en 2012 een persoonsgebonden budget (PGB) toegekend gekregen voor AWBZ-zorg. Het Zorgkantoor stelde echter vast dat zij onvoldoende verantwoording had afgelegd over de besteding van het budget, met name doordat zij geen zorgovereenkomst en geen nota's of betaalbewijzen had overgelegd, ondanks herhaaldelijke verzoeken.
Het Zorgkantoor trok het PGB voor 2012 in en stelde het PGB voor 2011 lager vast. Appellante voerde aan dat zij wel verantwoording had afgelegd, onder meer door bankafschriften en een zorgovereenkomst met haar partner te overleggen. De Raad oordeelde dat deze stukken onvoldoende waren om aannemelijk te maken dat de zorg daadwerkelijk was verleend en betaald.
De Raad overwoog dat het Zorgkantoor een belangenafweging heeft gemaakt bij het gebruik van zijn discretionaire bevoegdheid en dat appellante zelf verantwoordelijk is voor de verantwoording, ook als zorg werd verleend door een (ex-)partner. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere vaststelling en intrekking van het PGB bevestigd.