ECLI:NL:CRVB:2015:2636
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante is sinds januari 2011 wegens bekkenklachten arbeidsongeschikt verklaard voor haar werk als callcentermedewerkster. Het UWV heeft op 17 april 2013 besloten haar geen WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit besluit werd op 18 september 2013 in bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij het medisch onderzoek en de beoordeling van verzekeringsartsen als zorgvuldig en betrouwbaar beschouwde. De rechtbank oordeelde dat de beperkingen van appellante niet waren onderschat en dat de voor haar geduide functies geschikt waren. De door appellante voorgestelde uitleg van het begrip 'vertreden' werd niet ondersteund door wet of jurisprudentie.
In hoger beroep stelde appellante dat 'vertreden' het gedurende korte tijd verrichten van wezenlijk andere werkzaamheden betekent, wat volgens haar noodzakelijk is voor arbeid. De Raad oordeelde echter dat deze uitleg niet onderbouwd was en dat de geduide functies, waaronder wikkelaar, inpakker en machinebediende, passend zijn en de belastbaarheid van appellante niet overschrijden. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.