ECLI:NL:CRVB:2015:2615
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- W.F. Claessens
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens ontbreken verblijfstitel ondanks medische noodzaak
Appellante, van Marokkaanse nationaliteit, vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) terwijl zij sinds 2002 geen geldige verblijfstitel meer had. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees haar aanvraag af omdat zij niet voldeed aan de vereiste verblijfsstatus. Appellante beroept zich op haar verslechterende medische situatie en de noodzaak van bijstand om verdere achteruitgang te voorkomen, alsmede op schending van haar rechten onder artikelen 3 en 8 EVRM en op artikel 41 van Pro de Samenwerkingsovereenkomst met Marokko.
De Raad oordeelt dat appellante in de relevante periode geen vreemdeling was in de zin van artikel 11 WWB Pro en daardoor onder artikel 16 WWB Pro viel, waardoor bijstand niet kon worden toegekend, ook niet om zeer dringende redenen. De Raad laat de vraag of appellante bijzondere bescherming verdient op grond van artikel 8 EVRM Pro in het kader van de WWB in het midden en wijst het beroep op artikel 3 EVRM Pro af omdat er geen sprake is van vernederende of onmenselijke behandeling. Appellante had toegang tot maatschappelijke opvang en medische zorg.
Ten aanzien van de Samenwerkingsovereenkomst en de daarop volgende Euro-Mediterrane Overeenkomst oordeelt de Raad dat appellante niet als werknemer kan worden aangemerkt in de zin van artikel 65 EMO Pro, waardoor zij niet onder de werkingssfeer valt die discriminatie op grond van nationaliteit uitsluit. Hierdoor faalt ook dit beroep. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel.