ECLI:NL:CRVB:2015:2515
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en ontving een WW-uitkering toen zij zich op 13 januari 2010 ziek meldde vanwege lichamelijke klachten na een val. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze per 4 maart 2010 nadat een verzekeringsarts haar weer geschikt achtte. Appellante maakte bezwaar, dat gegrond werd verklaard, waardoor de uitkering werd voortgezet.
Vervolgens achtte het UWV haar per 5 november 2010 weer geschikt, waarop de uitkering werd beëindigd. Appellante maakte opnieuw bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. In hoger beroep werd dit besluit vernietigd door de rechtbank, die het primaire besluit herroepen heeft.
Het UWV heeft echter bij een beslissing op bezwaar van 2 augustus 2011 appellante per 13 januari 2010 doorlopend arbeidsongeschikt geacht, waardoor de Ziektewet-uitkering werd heropend en uitbetaald. Hierdoor is het hoger beroep feitelijk zonder betekenis geworden omdat er geen inhoudelijk geschil meer is.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.