ECLI:NL:CRVB:2015:2434
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante was sinds 2007 wegens schouderklachten arbeidsongeschikt en ontving een WW-uitkering vanaf 2010. Na indiensttreding als kantoormanager in 2012 werd de WW-uitkering beëindigd. Vervolgens meldde zij zich ziek en kreeg een Ziektewetuitkering toegekend. Het UWV beëindigde deze uitkering per 28 april 2014 na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek waarin werd vastgesteld dat appellante geschikt was voor haar werk.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het UWV bevoegd was het recht op ziekengeld te beoordelen en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief lichamelijk onderzoek, informatie van de huisarts en een psychiatrische expertise.
In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek niet onafhankelijk en deskundig was, onder meer omdat geen lichamelijk onderzoek was verricht en geen informatie was opgevraagd bij haar psycholoog. Zij overhandigde aanvullende medische stukken ter onderbouwing. De Raad concludeerde dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig was, dat de aanvullende stukken onvoldoende gewicht hadden en dat het oordeel van de verzekeringsarts overtuigend was onderbouwd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor eigen werk.