ECLI:NL:CRVB:2015:2403
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.F. Claessens
- J.F. Bandringa
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijstandskorting wegens verblijf in buitenland volgens WWB
Appellant ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en verbleef van 4 mei 2012 tot en met 3 juni 2012 in het buitenland. Het college bracht op grond van het feit dat de maximale verblijfsduur in het buitenland vier weken per jaar bedraagt, drie dagen in mindering op de bijstand over juni 2012. Appellant maakte bezwaar tegen deze korting, dat door het college niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelt het college dat het bezwaar wel ontvankelijk is maar inhoudelijk ongegrond omdat appellant de maximale vakantieduur met drie dagen overschreed. Appellant betwist dat de terugkeerdatum moet worden meegerekend en stelt dat hij slechts 28 dagen in het buitenland verbleef.
De Raad volgt de eerdere jurisprudentie dat bij vertrek- en terugkeerdag één dag als verblijf in Nederland geldt en de andere als verblijf in het buitenland. Gelet hierop had appellant vanaf 1 juni 2012 geen recht meer op bijstand. De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het bezwaar ontvankelijk maar ongegrond en bevestigt de korting van drie dagen bijstand. Het betaalde griffierecht wordt aan appellant vergoed.
Uitkomst: De korting van drie dagen bijstand wegens verblijf in het buitenland is terecht en het bezwaar is ontvankelijk maar ongegrond verklaard.