ECLI:NL:CRVB:2015:2360
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een adres te Utrecht, waar appellant aanvankelijk ook stond ingeschreven. Na een rechtmatigheidsonderzoek ontstond het vermoeden dat appellant vanaf 22 januari 2004 op het uitkeringsadres woonde, wat het college deed besluiten de bijstand vanaf die datum in te trekken en terug te vorderen. Appellanten maakten bezwaar en gingen in beroep tegen deze besluiten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat, gelet op de feitelijke omstandigheden, getuigenverklaringen, politieverklaringen en administratieve stukken, voldoende feitelijke grondslag bestaat om te concluderen dat appellanten vanaf 22 januari 2004 gezamenlijk hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres. Appellanten erkenden de gezamenlijke huishouding pas vanaf oktober 2011, maar konden dit niet aannemelijk maken voor de periode daarvoor.
De Raad verwierp de stelling dat het uitkeringsadres slechts een postadres was voor appellant en stelde vast dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden door het college niet te informeren over de gezamenlijke huishouding. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.