ECLI:NL:CRVB:2015:2316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- R.E. Bakker
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsbeperkingen
Appellante, laatstelijk werkzaam als aankomend verkoopmedewerker, viel in februari 2010 uit wegens pols- en andere klachten. Zij vroeg in januari 2012 een WIA-uitkering aan. Het UWV verlengde haar loondoorbetalingsperiode tot maart 2013, waarna het vaststelde dat zij meer dan 65% van haar oude loon kan verdienen en geen recht heeft op WIA.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij ernstiger beperkt is dan vastgesteld, met onderbouwing door medische verklaringen van specialisten en psychologen. Zij stelde dat bepaalde functies niet geschikt zijn vanwege haar fysieke beperkingen en dat zij niet over het vereiste vmbo-niveau beschikt.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep reageerden uitgebreid op de ingebrachte informatie en concludeerden dat de beperkingen niet ernstiger zijn dan eerder vastgesteld en dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn. De Raad zag geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige en oordeelde dat de voorzieningen voor toiletbezoek toereikend zijn.
Gelet op de medische en arbeidskundige rapportages en de toelichtingen bevestigde de Centrale Raad van Beroep de eerdere uitspraak dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.