ECLI:NL:CRVB:2015:2307
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering en oplegging boete wegens niet-melden inkomsten
Appellante ontving vanaf 23 oktober 2000 een WAO-uitkering, laatstelijk berekend op een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. In 2008 meldde zij inkomsten uit arbeid die zij vanaf 1 november 2001 ontving via werkzaamheden voor haar broer, betaald uit diens persoonsgebonden budget (PGB). Het UWV besloot dat de WAO-uitkering over bepaalde perioden niet had moeten worden uitbetaald vanwege deze inkomsten en vorderde €9.297,37 terug. Tevens legde het UWV een boete van €230,- op wegens het niet (behoorlijk) nakomen van de mededelingsplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd overwogen dat het UWV terecht de terugvordering toepaste op grond van artikel 44 van Pro de WAO en dat de boete passend was gezien de ernst van de overtreding en de verwijtbaarheid. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het voor haar niet duidelijk was dat zij teveel had ontvangen, dat het UWV eerder niet had gekort op haar uitkering ondanks melding van inkomsten, en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat het rapport van een arbeidsdeskundige uit 2005 andere inkomsten betrof dan de PGB-inkomsten en dat appellante destijds al de mogelijkheid had om haar inkomsten te melden, hetgeen zij naliet. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien en de boete was proportioneel. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de WAO-uitkering en de oplegging van de boete wegens niet-melden van inkomsten.