ECLI:NL:CRVB:2013:1858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- E.J. Govaers
- K. Wentholt
- Rechtspraak.nl
Herstel Wajong-uitkering na intrekking wegens TBS met dwangverpleging
Appellant ontving sinds 2004 een Wajong-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Deze werd in 2006 beëindigd vanwege detentie. In 2008 werd aan appellant TBS met dwangverpleging opgelegd wegens sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid, zonder gevangenisstraf. Na opname in een forensisch psychiatrisch centrum werd de uitkering heropend, maar later met terugwerkende kracht ingetrokken door het UWV, omdat appellant niet was ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de intrekking. In hoger beroep betoogde appellant dat zijn situatie gelijkgesteld moet worden aan volledige ontoerekeningsvatbaarheid, waardoor de intrekking onterecht is. Het UWV handhaafde haar standpunt voor de toekomst, maar zegde toe het besluit met terugwerkende kracht te herzien.
De Raad overweegt dat de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden (Wsg) intrekking van uitkeringen regelt bij vrijheidsontneming, met uitzondering van opname op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en artikel 37 Sr Pro. De Raad stelt dat opname in een TBS-inrichting wegens sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid gelijkgesteld moet worden aan volledige ontoerekeningsvatbaarheid en daarom geen grond vormt voor intrekking.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en herroept het eerdere besluit tot intrekking. Appellant heeft vanaf 25 mei 2008 recht op Wajong-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De Wajong-uitkering van appellant wordt hersteld met ingang van 25 mei 2008 en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.