ECLI:NL:CRVB:2015:2242
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering WIA-uitkering wegens detentie in het buitenland
Appellant ontving een WIA-uitkering die door het UWV werd beëindigd omdat appellant langer dan een maand gedetineerd was in België. Het UWV vorderde de onverschuldigd betaalde uitkering terug. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat de detentie in het buitenland geen grond voor beëindiging was en dat bijzondere omstandigheden, zoals onschuld en een schuldsaneringstraject, terugvordering onredelijk maakten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de wettelijke grondslag voor beëindiging en terugvordering op goede gronden was toegepast. De Raad bevestigt dit oordeel, verwijzend naar de Wet WIA en de Wet Socialezekerheidsrechten gedetineerden (Wsg) die beogen dubbele kosten voor de staat te voorkomen.
De Raad overweegt dat ook detentie in het buitenland onder de wettelijke bepalingen valt en dat het feit dat appellant onschuldig was of zich in voorlopige hechtenis bevond, niet relevant is voor de rechtmatigheid van het besluit. Evenmin is het schuldsaneringstraject een dringende reden om terugvordering achterwege te laten. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging en terugvordering van de WIA-uitkering wegens detentie in het buitenland.