Uitspraak
16 juli 2014, 13/3952 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) trok deze uitkering in en vorderde ten onrechte betaalde bedragen terug, omdat zij aannam dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met B. Na onderzoek, inclusief huisbezoek en sociale recherche, concludeerde de Svb dat sprake was van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg en financiële verstrengeling.
Appellante voerde aan dat B geen hoofdverblijf had in haar woning en dat de relatie een commerciële huur- en kostgangersrelatie betrof. Zij stelde ook dat haar verklaringen onder druk waren afgelegd en dat eerdere onderzoeken geen aanleiding gaven tot intrekking. De Raad oordeelde dat de verklaringen rechtsgeldig waren en dat B zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante, ondanks zijn afwezigheid tijdens het kermisseizoen.
De Raad stelde vast dat er sprake was van wederzijdse zorg, waaronder zorg bij doktersbezoek, gezamenlijke huishoudelijke taken en testamentaire begunstiging. Ook was er sprake van financiële verstrengeling, zoals gezamenlijke autogebruik en verzekeringen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat eerdere onjuiste en verzwegen gegevens het beeld hadden vertekend. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de Anw-uitkering wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.