Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was van augustus 2008 tot augustus 2009 in dienst en vroeg in maart 2010 een WW-uitkering aan. Het UWV kende haar een WW-uitkering toe vanaf augustus 2009, maar beëindigde deze in november 2009 wegens zelfstandige werkzaamheden. Later werd de uitkering herleefd na beëindiging van die zelfstandige activiteiten, maar eindigde in april 2013 wegens het bereiken van de maximale uitkeringsduur.
Appellante verzocht het UWV terug te komen op eerdere besluiten uit maart 2010, maar dit verzoek werd afgewezen omdat zij geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd. De rechtbank verklaarde haar beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en verzocht zij om schadevergoeding wegens vermeende onjuiste informatie door het UWV.
De Raad oordeelde dat appellante geen procesbelang had bij het verzoek terug te komen op de besluiten, aangezien zij de volledige uitkeringsduur had ontvangen en geen rechten had verspeeld. Wel was er een actueel belang bij de beoordeling van de schadevergoeding, maar de stelling dat zij schade had geleden was niet aannemelijk gemaakt.
De Raad bevestigde dat het verzoek om terug te komen op de besluiten terecht was afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen schadevergoeding toegekend en geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om terug te komen op eerdere WW-besluiten wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.