Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek ingediend tot herziening van een uitspraak van 2 mei 2013. Zij stelde dat de Raad ten onrechte diverse nalatigheden van het college had genegeerd, waaronder schendingen van het gelijkheidsbeginsel en bepalingen uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Tijdens de zitting op 13 mei 2015, waarbij verzoekster verscheen en het college afwezig was, werd het verzoek inhoudelijk besproken. De Raad oordeelde dat het verzoek om herziening niet kan worden toegewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die voor de uitspraak van 2013 niet bekend waren en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.
De Raad benadrukte dat het middel van herziening niet bedoeld is om een eerder beslecht geschil opnieuw te behandelen zonder nieuwe feiten. De overgelegde stukken waren reeds bekend bij verzoekster en de Raad ten tijde van de eerdere procedure. Daarom werd het verzoek afgewezen zonder proceskostenveroordeling.