ECLI:NL:CRVB:2015:2044
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering pgb wegens niet-verantwoorde besteding door erfgenaam
Appellant, vertegenwoordigd door zijn erfgenaam, had voor 2011 een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangen. Na zijn overlijden vroeg het Zorgkantoor om verantwoording van de besteding, maar appellant overlegde geen zorgovereenkomsten of betalingsbewijzen. Het Zorgkantoor stelde het pgb daarom op nihil vast en vorderde het teveel betaalde bedrag terug.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het Zorgkantoor in redelijkheid tot deze belangenafweging kon komen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij onterecht niet was gehoord en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn persoonlijke situatie.
De Raad stelde vast dat appellant afzag van een hoorzitting, waardoor het Zorgkantoor terecht kon besluiten niet te horen. Ook was appellant niet in staat zijn psychische toestand met medische stukken te onderbouwen. De Raad concludeerde dat het Zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en het resterende bedrag terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het terugvorderen van het pgb wordt bevestigd.