ECLI:NL:CRVB:2015:1987
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging Ziektewetuitkering na faillissement werkgever en betalingsonmacht
Appellante trad op 1 april 2012 in dienst bij haar werkgever en meldde zich ziek op 12 november 2012. De werkgever werd op 13 november 2012 failliet verklaard, waarna de curator de arbeidsovereenkomst opzegde. Het UWV kende appellante een voorschot en later een Ziektewetuitkering toe, met ingang van 31 december 2012, uitgaande van betalingsonmacht vanaf 13 november 2012.
Appellante voerde aan dat de betalingsonmacht al eerder, namelijk op 30 oktober 2012, was ingetreden, omdat de behandeling van het faillissementsverzoek door de rechtbank was uitgesteld. Zij stelde dat het UWV dit eerdere moment had moeten erkennen. De rechtbank verwierp dit standpunt en stelde dat de bewijslast voor een eerder moment van betalingsonmacht bij appellante lag, die niet slaagde in haar bewijs.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat het niet-inroepen van artikel 42 van Pro de Faillissementswet door de curator niet betekent dat er al eerder sprake was van betalingsonmacht. De datum van 13 november 2012 werd terecht als ingangsdatum van de betalingsonmacht aangenomen, en daarmee was de toekenning van de Ziektewetuitkering vanaf 31 december 2012 correct.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de bestreden uitspraak zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht een Ziektewetuitkering toekende vanaf 31 december 2012.