ECLI:NL:CRVB:2015:1916
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beslaglegging op Wajong-uitkering en rol UWV
Appellant ontvangt een Wajong-uitkering waarop beslag is gelegd door een deurwaarder namens een schuldeiser. Het UWV heeft het beslag uitgevoerd zonder de geldigheid of omvang daarvan te beoordelen. Appellant maakte bezwaar tegen deze inhouding, maar dit bezwaar werd door het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond, stellende dat de beoordeling van de geldigheid van het beslag niet aan het UWV of de bestuursrechter toekomt, maar aan de civiele rechter.
In hoger beroep voerde appellant diverse gronden aan, met name gericht tegen de vordering van de schuldeiser. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat het UWV gehouden is volledige medewerking te verlenen aan het beslag zonder de geldigheid ervan te toetsen. De Raad benadrukte dat de beslagvrije voet en eventuele betwistingen daaromtrent door appellant bij de deurwaarder of civiele rechter moeten worden aangevochten.
De Raad wees erop dat het UWV ook de bestuursrechtelijke premie moet inhouden, conform de Zorgverzekeringswet, en dat dit kan leiden tot een uitbetaald bedrag dat lager is dan de beslagvrije voet. Het hoger beroep werd verworpen, de aangevallen uitspraak bevestigd, en er werd geen aanleiding gezien tot vergoeding van schade of proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het UWV hoeft de geldigheid van het beslag niet te toetsen.