ECLI:NL:CRVB:2014:2098
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beslag op WIA-uitkering en beslagvrije voet door UWV
Appellante ontvangt sinds 18 april 2011 een WIA-uitkering met toeslag. Na een vonnis van de kantonrechter is beslag gelegd door incasso- en gerechtsdeurwaarderskantoor GGN op de uitkering van appellante bij het UWV. Het UWV heeft de uitkering verminderd tot de beslagvrije voet van € 632,08 per maand en het resterende bedrag aan GGN betaald.
Appellante maakte bezwaar tegen deze betalingsbeslissing, stellende dat de beslagvrije voet onjuist is berekend omdat zij alleenstaande ouder is. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat het UWV binnen de grenzen van het beslag is gebleven en dat de geldigheid van het beslag niet door het UWV of de bestuursrechter beoordeeld kan worden, maar door de civiele rechter.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het beroep van appellante af. De Raad benadrukt dat het UWV gehouden is volledige medewerking aan het beslag te verlenen zonder de geldigheid of omvang te toetsen. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro wordt verworpen omdat de beslagvrije voet het bestaansminimum waarborgt en de civiele rechter een adequate weg biedt voor beoordeling van de beslagrechtelijke geschillen.
De uitspraak bevestigt dat de bestuursrechter zijn toetsing moet beperken tot de vraag of het bestuursorgaan binnen het beslag is gebleven. Appellante heeft de mogelijkheid om zich tot de civiele rechter te wenden voor een beoordeling van de beslagvrije voet, ook indien sprake is van een informatieachterstand of taalbarrière.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV binnen het beslag heeft gehandeld en wijst het beroep van appellante af.