ECLI:NL:CRVB:2015:1889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens bezit onroerend goed in buitenland
Appellante ontving sinds 2005 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een melding van haar ex-echtgenoot dat zij onroerend goed in Marokko bezat, stelde de gemeente Amsterdam een onderzoek in. Dit leidde tot intrekking van de bijstand vanaf februari 2011 wegens het niet melden van drie onroerende zaken in Marokko. De waarde van deze zaken lag boven de vermogensgrens.
Appellante voerde aan dat zij slechts formeel eigenaar was en feitelijk niet kon beschikken over het onroerend goed omdat zij het beheer voerde namens haar invalide broers. Zij stelde ook dat het college haar een vertrouwensbescherming had toegezegd en dat er dringende redenen waren om niet terug te vorderen.
De Raad oordeelde dat het formele eigendom in het kadaster de veronderstelling wekt dat appellante over het vermogen kon beschikken. De schenking aan haar zus bevestigde feitelijk beschikken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan over terugvordering. Dringende redenen om af te zien van terugvordering werden niet aangetoond. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.