1.4.De minister heeft het tegen het besluit van 26 april 2013 door appellante gemaakte bezwaar bij besluit van 29 juli 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is gesteld dat uit de door de controleurs opgetekende verklaring van de tante van appellante is gebleken dat appellante niet woont op haar GBA-adres.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de minister, gelet op de bevindingen van de controleurs tijdens het huisbezoek op 9 april 2013, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante ten tijde van de controle niet woonachtig was op haar GBA-adres, [Adres A] te [woonplaats]. De rechtbank heeft hierbij de verklaring van de tante van eiseres, dat appellante al twee weken niet meer op haar GBA-adres woonde, in aanmerking genomen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellante geen bewijs heeft overgelegd waaruit onomstotelijk blijkt dat het wettelijk vermoeden dat zij vanaf
1 januari 2012 niet aan de voorwaarden uit artikel 1.5 van de Wsf 2000 voldoet, onjuist is. Zij heeft niet aangetoond dat zij - een gedeelte van - de periode tussen 1 januari 2012 en 9 april 2013 feitelijk wél op het GBA-adres, niet zijnde het adres van haar ouders, heeft gewoond.
3. Appellante heeft in hoger beroep in grote lijnen herhaald wat zij bij de rechtbank aan beroepsgronden naar voren heeft gebracht. Zij heeft daaraan toegevoegd dat zij een ondertekende verklaring over zal leggen van haar tante waaruit blijkt dat appellante weliswaar ten tijde van de controle niet op haar GBA-adres verbleef, maar dat slechts sprake was van tijdelijke afwezigheid vanwege een conflict in de privésfeer en dat het niet de bedoeling van appellante was om niet op haar GBA-adres terug te keren.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidt met ingang van
10 december 2011, wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5. Voorts geeft dit artikel aan dat onder studiefinancieringstijdvak wordt verstaan een kalenderjaar of een gedeelte daarvan waarop de toekenning van studiefinanciering betrekking heeft, met dien verstande dat deze periode ten minste één kalendermaand is.
4.1.2.Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:
a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de GBA staat ingeschreven, en
b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de GBA staat of staan ingeschreven.
4.1.3.Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de GBA.
4.1.4.In artikel 11.5 van de Wsf 2000 (hardheidsclausule) is door de wetgever aan appellant de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.