Uitspraak
29 november 2013, 12/4068 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 2006 werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding, later het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV). Vanaf 2008 ontstonden problemen in zijn functioneren, vooral door onvermogen zich aan te passen aan werkprocessen en leidinggevenden. Diverse pogingen tot herplaatsing, coaching en mediation werden door appellant afgewezen.
In 2011 verleende de voorzitter van het IFV appellant eervol ontslag wegens onbekwaamheid en ongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende zelfreflectie toonde en niet voldeed aan de eisen van zijn functie.
In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat het ontslag onvoldoende was onderbouwd, hij niet adequaat was aangesproken en dat het ontslag in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. De Raad verwierp deze bezwaren, oordeelde dat het bestuursorgaan voldoende concrete gedragingen had aangetoond en dat appellant voldoende gelegenheid had gekregen tot verbetering. Ook was het ontslag niet onevenredig zwaar, mede omdat appellant geen werkloosheidsuitkering had aangevraagd.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslagbesluit wordt bevestigd.