Appellant was werkzaam als magazijnmedewerker en jeugdvoetbaltrainer toen hij zich ziek meldde met rugklachten en een Ziektewet-uitkering ontving. Het UWV beëindigde het recht op ziekengeld per 13 juni 2012, omdat appellant volgens een verzekeringsarts weer geschikt was voor zijn maatgevende arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar ging daarbij uit van een onjuiste maatstaf door alleen de werkzaamheden als jeugdvoetbaltrainer te betrekken.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn rugklachten onderschat waren en dat hij vanwege pijn niet kon staan, waardoor hij ongeschikt zou zijn. De Raad oordeelde dat de juiste maatstaf de gecombineerde arbeid van 15 uur per week als jeugdvoetbaltrainer en 19 uur per week als magazijnmedewerker is. Uit medisch onderzoek bleek dat appellant geen ernstige afwijkingen had en de werkzaamheden kon verrichten.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV, verklaarde het beroep gegrond, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van appellant. De Raad concludeerde dat het besluit om het recht op ziekengeld te beëindigen terecht was genomen.