Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en sloot een overeenkomst met een stichting die personen met een WWB-uitkering detacheert bij inleners om uitstroom naar de reguliere arbeidsmarkt te bevorderen. Hoewel de overeenkomst als arbeidsovereenkomst werd aangeduid, heeft appellant nooit werkzaamheden verricht bij een inlener en was er geen inleenovereenkomst tot stand gekomen.
Het UWV weigerde daarom een Ziektewetuitkering omdat appellant niet in een dienstbetrekking werkzaam was geweest. De rechtbank vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat wel sprake was van een arbeidsovereenkomst, onder meer omdat hij gedetacheerd zou worden bij een groenvoorzieningsbedrijf.
De Centrale Raad oordeelde dat de overeenkomst in wezen een uitvoering was van gemeentelijk beleid om WWB-gerechtigden te re-integreren en dat de verhouding niet als arbeidsovereenkomst kon worden gekwalificeerd. Er was geen arbeidsovereenkomst omdat geen verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, gezagsverhouding en loonbetaling in de zin van het BW bestond. Ook was geen inleenovereenkomst tot stand gekomen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit dat appellant geen ZW-uitkering toekomt.
Uitkomst: Appellant was geen werknemer in de zin van de Ziektewet, waardoor de ZW-uitkering terecht is geweigerd.