Appellante ontving een WW-uitkering en kreeg toestemming om als zelfstandige te werken gedurende een startperiode. Na beëindiging van de uitkering wegens werkhervatting in loondienst, werd de uitkering later ingetrokken omdat zij werkzaamheden als zelfstandige bleef verrichten zonder dit te melden. Het UWV legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het UWV fouten had gemaakt maar dit geen reden was om terugvordering te matigen.
In hoger beroep stelde appellante dat zij niet volledig verwijtbaar was vanwege gebrekkige informatie en fouten van het UWV, waaronder het ontbreken van een eindgesprek en verkeerde systeemkoppelingen. De Raad oordeelde dat er sprake was van gedeelde verwijtbaarheid, waardoor de boete moest worden verlaagd. De opgelegde boete van €300 werd verminderd tot €150.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente over het te veel betaalde boetebedrag en tot vergoeding van de proceskosten van appellante. De overige bestreden besluiten werden bevestigd. Deze uitspraak vervangt het vernietigde besluit van 5 juni 2013.