ECLI:NL:CRVB:2015:1536

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 mei 2015
Publicatiedatum
13 mei 2015
Zaaknummer
13-6657 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WAZ
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toepassing artikel 58 WAZ op beheersvergoeding dga

Appellant, voormalig directeur-grootaandeelhouder (dga), ontving een WAZ-uitkering die door het UWV werd verlaagd op grond van artikel 58 van Pro de WAZ vanwege inkomsten uit arbeid. Het geschil betrof de vraag of een beheersvergoeding van circa € 2.000 per maand die appellant ontving, als inkomsten uit arbeid moest worden beschouwd.

De rechtbank had het beroep van appellant tegen het besluit van het UWV gegrond verklaard maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. In hoger beroep betoogde appellant dat de beheersvergoeding niet als inkomsten uit arbeid mocht worden meegeteld. Het UWV stelde dat appellant deze vergoeding fiscaal als belastbaar inkomen in box 1 had opgegeven en dat de Belastingdienst dit had geaccepteerd.

De Raad stelde vast dat volgens vaste rechtspraak de fiscale kwalificatie van inkomsten door de verzekerde en de Belastingdienst in beginsel leidend is voor de toepassing van artikel 58 WAZ Pro. Afwijking is slechts mogelijk bij bijzondere omstandigheden, die appellant niet had aangevoerd. Daarom oordeelde de Raad dat het UWV de beheersvergoeding terecht als inkomsten uit arbeid had aangemerkt en de WAZ-uitkering correct had aangepast.

De terugvordering van onverschuldigde uitkering werd eveneens gehandhaafd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de beheersvergoeding als inkomsten uit arbeid geldt en de WAZ-uitkering terecht werd verlaagd.

Uitspraak

13/6657 WAZ
Datum uitspraak: 1 mei 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 oktober 2013, 13/3366 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft R.J.M. de Booy hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2015. Namens appellant is verschenen drs. P.J.M. de Graaf. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.Na zijn uitval als directeur-grootaandeelhouder (dga) van [naam B.V.]. is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.
1.2.
Bij besluit van 16 november 2012 heeft het Uwv bepaald dat de WAZ-uitkering van appellant met toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ in verband met inkomsten uit arbeid met ingang van 1 januari 2009 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
25-35%. Bij afzonderlijk besluit van 16 november 2012 heeft het Uwv met toepassing van artikel 63 van Pro de WAZ van appellant een bedrag van € 9.975,59 teruggevorderd terzake van over de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 november 2012 aan hem onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering.
1.3.
Bij besluit van 2 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 16 november 2012 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het Uwv hangende het beroep de grondslag van het bestreden besluit heeft gewijzigd. Gelet op de hoogte van het door appellant als dga ontvangen salaris, heeft het Uwv terecht artikel 58 van Pro de WAZ toegepast en de
WAZ-uitkering van appellant met ingang van 1 januari 2009 uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. De eerst ter zitting van de rechtbank namens appellant naar voren gebrachte stelling dat op het maandelijks salaris van appellant een bedrag van
€ 2.000,- in mindering had moeten worden gebracht, heeft de rechtbank als tardief gepasseerd. Ook de terugvordering heeft de rechtbank in stand gelaten.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat het bij de door hem ontvangen vergoeding van € 2.000,- per maand of wel € 24.000,- per jaar gaat om een - in de bancaire wereld gebruikelijke - vergoeding voor het beheer van de door W.H. Naeije Holding B.V.
(per 1 januari 2009: € 1.366.748,-) respectievelijk Naeije-Verstraten ([woonplaats]) Beheer B.V. (per 1 januari 2009: € 2.752,043,-) aan de dochters van appellant respectievelijk de door de dochters beheerde vennootschappen geleende gelden (beheersvergoeding). Volgens appellant heeft het Uwv bij het bestreden besluit deze beheersvergoeding ten onrechte betrokken bij de vaststelling van de hoogte van de inkomsten uit arbeid.
3.2.
Het Uwv heeft er op gewezen dat appellant tegenover de fiscus te kennen heeft gegeven dat ook deze beheersvergoeding als belastbare inkomsten uit werk en woning (box 1) dienen te worden beschouwd, wat de fiscus in de periode hier van belang heeft geaccepteerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
het hoger beroep van appellant is gericht tegen de instandlating door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit.
4.2.
Gelet op de standpunten van partijen, zoals hiervoor onder 3.1 en 3.2 kort samengevat weergegeven, en onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, ziet de Raad zich gesteld voor de vraag of het Uwv in het bestreden besluit bij de toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ terecht de door appellant in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2012 ontvangen beheersvergoeding heeft betrokken. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
4.3.
De Raad stelt voorop dat voor de toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ is vereist dat de bij de korting in aanmerking te nemen de WAZ inkomsten van een dga als inkomsten uit arbeid zijn verkregen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient bij de beantwoording van de vraag of de in aanmerking te nemen inkomsten uit arbeid zijn verworven in beginsel doorslaggevende betekenis toe te komen aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte - en door de belastingdienst gehonoreerde - keuze. Van die keuze kan slechts worden afgeweken wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen (vgl. uitspraak van de Raad van 21 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5218). Tussen partijen is niet in geschil dat appellant de beheersvergoeding in de periode hier van belang bij zijn aangiften voor de inkomstenbelasting tegenover de fiscus als belastbare inkomsten uit werk en woning in box 1 heeft verantwoord en dat deze keuze door de fiscus is geaccepteerd. Bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld, heeft appellant niet naar voren gebracht.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het Uwv over de periode hier in geding de door appellant ontvangen beheersvergoeding terecht heeft aangemerkt als inkomsten uit arbeid en op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAZ.
4.5.
Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige gronden naar voren gebracht.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2015.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) J.R. van Ravenstein

MK