ECLI:NL:CRVB:2015:1521
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit verlaging uren hulp bij het huishouden op grond van de Wmo
Appellante had een voorziening voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) toegekend gekregen. Na een aanvraag tot verlenging werd het aantal uren hulp door het college verlaagd van drie naar twee uren per week. Appellante maakte bezwaar tegen deze vermindering, stellende dat haar beperkingen waren toegenomen en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit.
In hoger beroep stelde appellante dat het college de schouderklachten onvoldoende had meegewogen en dat de vermindering van uren onbegrijpelijk was. De Raad onderzocht de wijze van aanvraagbehandeling, waarbij het college gebruikmaakte van een vragenformulier en telefonische verificatie. De Raad oordeelde dat het college zorgvuldig had gehandeld, de beperkingen van appellante adequaat had geïnventariseerd en dat de medische verklaringen geen nieuwe feiten bevatten die een andere beoordeling rechtvaardigen.
De Raad concludeerde dat het college terecht de tijd voor hulp bij het huishouden had berekend op basis van de door appellante opgegeven beperkingen en dat de vermindering van het aantal uren niet onbegrijpelijk was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot verlaging van het aantal uren hulp bij het huishouden.