ECLI:NL:CRVB:2014:3186
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- P.W. van Straalen
- C.H. Rombouts
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand na boedelscheiding ondanks leningvorm
Appellant ontving bijstand ingevolge de WWB vanaf november 2010, toegekend als geldlening in afwachting van de echtscheidingsafwikkeling. De rechtbank stelde bij boedelverdeling een overbedeling vast ten gunste van appellant, wat leidde tot een hogere vermogensvaststelling dan aanvankelijk was aangenomen.
Het bestuur vorderde op basis van deze nieuwe vermogenspositie de terugbetaling van de bijstandskosten over de periode van november 2010 tot juli 2011. Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, stellende dat de leningvorm van de bijstand als negatief vermogensbestanddeel had moeten worden meegenomen bij de vaststelling van het vermogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat terugvordering op grond van artikel 58 WWB Pro mogelijk is ongeacht de vorm van bijstandverlening. De lening kan pas als schuld worden betrokken na het terugvorderingsbesluit, waardoor deze niet relevant is voor de vermogensvaststelling in de betreffende periode. Ook andere bezwaren van appellant omtrent vermogensbestanddelen werden verworpen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand bevestigd.