ECLI:NL:CRVB:2015:1298
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag militair wegens drugsgebruik
Appellant was militair en werd op 1 december 2012 ontslagen wegens het roken van een joint op zijn legeringskamer, wat volgens het Ministerie van Defensie wangedrag is dat niet wordt getolereerd. Hij vroeg een WW-uitkering aan, die het UWV weigerde omdat hij verwijtbaar werkloos was geworden. Appellant maakte bezwaar en stelde onder meer dat het gebruik privé was en dat hij psychische problemen had door mishandeling op de kazerne.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het ontslag terecht was vanwege het strikte drugsbeleid en dat er geen sprake was van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelt dat het gebruik van softdrugs binnen de militaire dienst niet wordt getolereerd en dat appellant bekend was met het beleid.
De psychische problematiek en de mishandeling zijn onvoldoende onderbouwd om het verwijt weg te nemen. De gedraging vond plaats op de legeringsplaats en is geen privégebruik. De Raad concludeert dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen; weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid bevestigd.