Uitspraak
24 januari 2014, 13/3108 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en werd verdacht van het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar partner, wat gevolgen had voor haar recht op bijstand. Het college voerde een huisbezoek uit zonder te voldoen aan de vereiste van informed consent, waardoor sprake was van een onrechtmatige inbreuk op haar huisrecht zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro.
De Raad oordeelt dat het huisbezoek niet gerechtvaardigd was omdat er geen redelijke grond bestond en het college niet had voldaan aan de eis van volledige en juiste informatie voorafgaand aan het huisbezoek. Hierdoor mochten de bevindingen en verklaringen uit dat huisbezoek niet worden gebruikt voor de beoordeling van het recht op bijstand.
Ook het vervolgonderzoek was onlosmakelijk verbonden aan het onrechtmatige huisbezoek, waardoor de verklaringen die appellante toen aflegde eveneens buiten beschouwing moesten blijven. Zonder deze gegevens ontbrak een voldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat sprake was van gezamenlijke huishouding.
De Raad vernietigt daarom de bestreden besluiten en het besluit tot terugvordering, en veroordeelt het college tot het betalen van wettelijke rente over teruggevorderde bedragen en tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee wordt het belang van bescherming van het huisrecht en zorgvuldige bestuursrechtelijke besluitvorming onderstreept.
Uitkomst: De bestreden besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd wegens onrechtmatig huisbezoek en onvoldoende feitelijke grondslag.