ECLI:NL:CRVB:2015:1278
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens overschrijding vermogensgrens en schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB, mede vanwege het feit dat zij aanspraak had op een appartement waarover zij niet kon beschikken zolang haar moeder in leven was. Na verkoop van het appartement in februari 2012 en ontvangst van een bedrag van €151.946,29, gebruikte appellante dit bedrag zonder schuldaflossing voor eigen doeleinden. Het college stelde vast dat appellante vanaf die datum over middelen beschikte die de vermogensgrens overschreden, en trok de bijstand in met terugwerkende kracht.
Appellante voerde aan dat zij door emotionele omstandigheden niet eerder melding kon maken van het ontvangen bedrag, maar de Raad oordeelde dat zij wel degelijk in staat was het college eerder te informeren. Tevens werd geoordeeld dat de schuld aan haar moeder niet aannemelijk was gemaakt en niet in mindering kon worden gebracht op het vermogen.
De Raad bevestigde dat het college bevoegd was tot terugvordering van de bijstand over de periode waarin appellante aanspraak had op het appartement maar er niet over kon beschikken, en tot intrekking van de bijstand vanaf het moment dat zij daadwerkelijk over het geld beschikte. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens overschrijding van de vermogensgrens en schending van de inlichtingenverplichting.