ECLI:NL:CRVB:2015:1173
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op AWBZ-zorg bij visuele handicap zonder matige of ernstige beperkingen
Appellante, bekend met een hart- en vaataandoening, artrose en een visuele handicap, was geïndiceerd voor AWBZ-zorg, waaronder begeleiding en persoonlijke verzorging. Het CIZ besloot deze indicatie te herzien en te beperken, omdat zij volgens medisch advies in staat is zelfstandig haar administratie te regelen, haar daginvulling te verzorgen en zich zelfstandig te verplaatsen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het CIZ terecht de indicatiewijzer toepaste, die een visus onder 0,5 aan het beste oog vereist voor een zintuiglijke handicap. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar zeldzame oogziekte POHS en de daarmee samenhangende beperkingen een afwijking van de indicatiewijzer rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat deze bijzondere omstandigheden onvoldoende zijn om af te wijken van het beleid. De medische stukken tonen aan dat appellante met het afdekken van het slechte oog en het gebruik van hulpmiddelen slechts lichte beperkingen ondervindt. Er is geen contra-expertise die het tegendeel bewijst. Daarom is zij niet aangewezen op begeleiding of persoonlijke verzorging op grond van de AWBZ.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en appellante heeft geen recht op AWBZ-zorg voor begeleiding en persoonlijke verzorging.