ECLI:NL:CRVB:2015:1052
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken verblijfstitel volgens AKW
Appellante, met Servische nationaliteit, vroeg kinderbijslag aan voor haar zoon na haar komst naar Nederland. De aanvraag werd afgewezen omdat zij niet beschikte over de vereiste verblijfstitel volgens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Na bezwaar en een eerdere afwijzing door de rechtbank, stelde appellante in hoger beroep dat haar individuele omstandigheden, waaronder de handicap van haar zoon, meegewogen moesten worden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat uit het internationale recht geen verplichting volgt om appellante niet uit te sluiten van de AKW-verzekering. Er waren geen schrijnende omstandigheden die het koppelingsbeginsel konden doorbreken. Het verzoek om het hoger beroep aan te houden in afwachting van een oordeel van het VN-Mensenrechtencomité werd afgewezen wegens onduidelijkheid over de relevantie en de termijn.
De Raad bevestigde dat appellante geen recht heeft op kinderbijslag in de bestreden periode en dat er geen grond is voor schadevergoeding. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit werden gehandhaafd, waarmee de weigering van kinderbijslag definitief is.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van een verblijfstitel.