ECLI:NL:CRVB:2015:1049
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- E.E.V. Lenos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag ANW-wezenuitkering wegens niet-ouderloosheid appellant
Appellant, geboren in 1993, is na de dood van zijn moeder in 2011 een aanvraag voor een wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) gestart. De aanvraag werd afgewezen omdat zijn vader nog in leven is en niet uit de ouderlijke macht is ontzet, waardoor appellant niet als ouderloos wordt beschouwd.
De rechtbank Limburg oordeelde dat het begrip 'wees' beperkt moet worden uitgelegd en verwees daarbij naar eerdere jurisprudentie en de memorie van toelichting bij de ANW. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn vader, die nooit het gezag heeft uitgeoefend, gelijkgesteld moet worden met een ouder die uit de ouderlijke macht is ontzet, en voerde een beroep op discriminatie.
De Raad overwoog dat de wetgever bewust aansluiting heeft gezocht bij artikel 16 van Pro de Algemene Weduwen- en Wezenwet, waarin ontzetting uit de ouderlijke macht centraal staat. Een ouder die uit de ouderlijke macht is ontzet, is door de rechter ongeschikt verklaard om voor het kind te zorgen, wat niet geldt voor een ouder die nooit gezag heeft gehad. Daarom is er geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen.
Daarnaast wees de Raad op wetswijzigingen waarbij artikel 9 van Pro de ANW is vervallen, wat het standpunt van appellant verder ondermijnt. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant wordt niet als ouderloos aangemerkt voor een ANW-wezenuitkering.