ECLI:NL:CRVB:2015:1036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken geldige verblijfsvergunning
Appellante, afkomstig uit Irak, had aanvankelijk recht op kinderbijslag op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Na het verlopen van haar verblijfsvergunning werd haar kinderbijslag per kwartaal 2011 stopgezet. Zij vroeg opnieuw kinderbijslag aan, maar deze werd geweigerd omdat zij niet verzekerd was voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) wegens het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Appellante voerde aan dat internationale verdragen haar uitsluiting van kinderbijslag niet rechtvaardigen, mede vanwege een eerdere uitspraak van de Raad en een klacht bij het VN-Mensenrechtencomité. De Raad verwijst naar een vergelijkbare zaak en stelt dat geen schrijnende omstandigheden zijn gebleken die het koppelingsbeginsel buiten toepassing zouden moeten laten.
De Raad concludeert dat appellante over de periode van het derde kwartaal 2011 tot en met het tweede kwartaal 2012 geen recht op kinderbijslag heeft en dat er geen grond is voor schadevergoeding of kostenveroordeling. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning.